De Maatschappij van Weldadigheid

Tot de negentiende eeuw telde Veenhuizen slechts een handvol huizen. Dat veranderde toen de ambitieuze generaal Johannes van den Bosch in 1818 de Maatschappij van Weldadigheid oprichtte, in een poging de enorme armoede in Nederland te bestrijden. Na de stichting van een vrije kolonie in Frederiksoord en een onvrije inrichting in Ommerschans, liet hij zijn oog vallen op het gehucht Veenhuizen en stichtte er een tweede dwangkolonie.

In de hoogtijdagen van de Maatschappij van Weldadigheid werden in Veenhuizen duizenden ‘verpleegden’ gedwongen heropgevoed. Landlopers en bedelaars belandden alleen of met hun hele gezin in Veenhuizen. Mannen, vrouwen en kinderen werden gescheiden van elkaar ondergebracht in het Eerste, Tweede en Derde Gesticht. Met werk op het veen en in de drie gestichten voorzagen ze in de kosten van hun schamele levensonderhoud.

Desondanks belandde de Maatschappij van Weldadigheid steeds dieper in de schulden en in 1859 nam het Rijk de onvrije koloniën Veenhuizen en Ommerschans over van de Maatschappij. Enige jaren later werden ze omgedoopt tot Rijkswerkinrichtingen.