Naar Veenhuizen opgezonden

Na de oprichting van de vrije koloniën in Frederiksoord, Willemsoord en Wilhelminaoord en de onvrije kolonie Ommerschans, laat Johannes van den Bosch in 1822 een tweede dwangkolonie bouwen in Veenhuizen. De generaal hoopt dat hier ‘de luiaard in eene volstrekte noodzakelijkheid gebragt wordt door arbeid in zijn onderhoud te voorzien’, om hen zo tot ‘bruikbare menschen’ te maken.

Het leven in de kolonie was zwaar, al waren de kolonisten wel wat gewend als het ging om beroerde leefomstandigheden. Onder hen landlopers, alcoholisten, prostituees en straatarme weeskinderen.
Hele gezinnen werden naar Veenhuizen opgezonden. Schrijnend was, dat de gezinsleden bij aankomst direct van elkaar werden gescheiden. Mannen, vrouwen en kinderen leefden in de kolonie Veenhuizen apart van elkaar. Met zo’n tachtig mensen woonden ze in gemeenschappelijke zalen, waar ze aten en sliepen. Ook de kinderen moesten werken, veelal op het land. Ze kregen overigens wel allemaal onderwijs.

Wie was opgezonden naar Veenhuizen, kwam op enig moment weer vrij en mocht met wat reisgeld op zak terug naar huis. Helaas was de recidive hoog: velen keerden telkens terug naar de kolonie. Omdat ze het hoofd in de buitenwereld niet boven water konden houden, om wat voor reden dan